“Moslimhaat ook in België in opmars” kopte De Morgen begin maart. Het gaat daarbij om een discours dat niet uitsluitend in populistische middens gedijt. We hoeven alleen maar Twitter of de online reacties op mediasites er op na te slaan. In die beeldvorming worden ‘moslims’ en ‘de Islam’ op een hoopje gegooid. Een eenzijdig wij-zij-verhaal is het gevolg.

Als buitenstaander is het moeilijk om aan dit discours objectief van antwoord te dienen. En eigenlijk zijn wij dat allemaal: wie van ons heeft voldoende kennis en inzicht op de Islamitische godsdienst om erover een gefundeerde mening te geven? Hetzelfde geldt trouwens ook voor de Israëlitische godsdienst. En vrijzinnig humanisten hebben nauwelijks een idee van de katholieke ritus en gebruiken – en omgekeerd. Ons beeld van godsdiensten en levensbeschouwingen is oppervlakkig en anekdotisch. Vanuit die oppervlakkigheid is het niet eenvoudig om boude uitspraken te counteren waarbij ‘de moslims’ vereenvoudigd worden tot religieuze fanatici.

Er is echter een plek waar een open gesprek kan gevoerd worden: het onderwijs. Iedereen is het er volmondig over eens dat via d e scholen radicalisering gedetecteerd en bestreden moeten worden. Maar die eensgezindheid ontbreekt vreemd genoeg wanneer het gaat over kennis en inzicht in datgene dat aanleiding kan geven tot radicalisering, met name religie.

Artikel 24 van de Belgische Grondwet stelt onmiskenbaar dat iedere leerplichtige het recht heeft op een morele of godsdienstige opvoeding. De praktische organisatie wordt in handen van de Gemeenschappen gelegd. Voor de Vlaamse Gemeenschap is dit geregeld via Onderwijsdecreet II uit 1990. Zodoende zijn er in de scholen twee lesuren godsdienst of niet-confessionele zedenleer, gedurende twaalf opeenvolgende schooljaren. Dit geldt voor het officieel onderwijs; de vrije – in  hoofdzaak katholieke – scholen bieden deze keuze niet aan.

Door het huidig systeem verlaat je als jongvolwassene het leerplichtonderwijs met uitsluitend kennis van de eigen levensbeschouwing. Het gebeurt nauwelijks dat een leerling, althans in het de officiële scholen, de overstap maakt van het ene levensbeschouwelijk vak naar het andere – tenzij dan bij de overgang van lager naar secundair onderwijs. Waarom is het een uitzondering dat een leerling het ene jaar kiest voor katholieke godsdienst om het andere jaar aan te sluiten bij niet-confessionele zedenleer? Ongetwijfeld zullen een hele reeks van praktische bezwaren worden ingeroepen, niet op zijn minst door de inrichters van de levensbeschouwelijke vakken zelf. Daardoor is deze piste eigenlijk uitgesloten om meer te weten te komen over andere overtuigingen.

Sinds enige tijd erkennen de levensbeschouwingen wel dat er binnen schoolverband moet worden samengewerkt. Gezamenlijke projecten rond maatschappelijke thema’s zijn zeker mogelijk maar, zo stellen de inrichters van de vakken zelf, al te uitvoerig moeten die niet zijn omdat het werken aan de eigen levensbeschouwelijke identiteit primeert. Zo een project omvat maximaal zes lestijden per jaar. Dit is eigenlijk verwaarloosbaar en stelt niet veel meer voor dan dat er eventjes over het andere muurtje wordt gekeken.  

We verwachten van onze scholen dat zij de leerlingen vormen in burgerschap. Dat zij hen digitale geletterdheid en financiële inzichten bijbrengen. Dat er aandacht is voor sociaal-relationele competenties. Maar van (inter)levensbeschouwelijke geletterdheid is geen sprake. Nochtans zou hiermee een objectief en kritisch inzicht in de achtergronden en impact van levensbeschouwelijke identiteiten worden bevorderd.

Daarom moeten we met open blik, en onbevooroordeeld, het debat over de rol van de levensbeschouwelijke vakken kunnen voeren. De Franse Gemeenschap heeft die stap al genomen: één uur levensbeschouwelijk vak werd ingeruild door de cours de philosophie et de citoyenneté. Waar wachten we op om ook in onze scholen aan de slag te gaan? Reduceer het aantal lesuren godsdienstles. Garandeer kwaliteit. Maak een echte keuze tussen de vakken mogelijk. Breek het carcan van het eigen, grote gelijk dat de inrichters van deze vakken zichzelf toeschrijven. Stimuleer kritisch denken binnen alle levensbeschouwelijke vakken. Geef plaats aan een verplicht vak LEF. Zet in op een ruime interlevensbeschouwelijke dialoog die veel verder reikt dan vandaag het geval is. Alleen zo kan een breder begrip worden gestimuleerd dat het wij-zijn-denken overstijgt. En laat de vrijheid primeren: wie geen boodschap heeft aan een morele of religieuze opvoeding moet aan dat recht kunnen verzaken, zonder lestijden te verspillen aan vrijstellingen.

Leave a Reply