Mooi opiniestuk van Open Vld-partijvoorzitter Gwendolyn Rutten naar aanleiding van de leerkrachtenstaking.

Ik geef het toe: ik hou niet van stakingen. In plaats van de dingen in beweging te zetten, leiden stakingen meestal tot ergernis en stilstand. Meestal, maar niet altijd. Afgelopen woensdag staakte het onderwijs voor het eerst in bijna achttien jaar. Voor wie het terrein kent en de afgelopen jaren luisterde naar leerkrachten en directies kwam dat niet als een verrassing. Integendeel. Het heeft nog lang geduurd.

Ons onderwijs is moegetergd. Leerkrachten zijn meer bezig met papierwerk dan met kinderen. En als er tijd is voor de leerlingen, dan lijkt lesgeven een bijzaak geworden, ook in het basisonderwijs. Steeds meer ligt de nadruk op zorg en welbevinden. Leerkrachten zijn vaak sociaal werker, psycholoog, verpleegkundige, vervangouder en trainer tegelijk. En ook al kunnen goeie leerkrachten altijd een beetje toveren, te veel is te veel. Dat wreekt zich in burn-outs en afwezigheden. Nieuwe leerkrachten haken snel weer af en anciens herkennen hun eigen beroep niet meer.

Niet één wondermiddel

De oorzaken zijn veelvuldig en complex. Minister van onderwijs Hilde Crevits (CD&V) heeft gelijk als ze zegt dat er niet één wondermiddel is om de gevolgen van een veranderende samenleving in het onderwijs aan te pakken. Maar toch zijn er heel wat zaken die we wél zelf in de hand hebben. Minder paperassen bijvoorbeeld. Wat minder structuren en controles, maar in de plaats meer vertrouwen en vakmanschap. Laat scholen en leraren zélf beslissen, los van koepels of regelneverij. Het onderwijsbudget is de voorbije jaren toegenomen maar de middelen worden lang niet altijd efficiënt ingezet. Zo is er in ons onderwijs één personeelslid per 8,4 leerlingen, maar in de klassen is dat niet te zien. Die zijn vaak drie keer zo groot. Als de samenleving terecht betaalt voor onderwijs, mogen we ook transparantie en resultaat vragen.

Het allerbelangrijkste is om de focus opnieuw te leggen waar die in onderwijs moet liggen: op lesgeven. De taak van onderwijs is de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Anders gezegd: op school ‘zitten’ is niet genoeg. Naar school ga je om (bij) te leren. Dat inzicht is de voorbije jaren op de achtergrond geraakt. Scholen zijn geen zorginstellingen. Als we willen dat onderwijs een motor is van emancipatie, moet er opnieuw meer aandacht zijn voor zaken als taal, lezen, schrijven en rekenen. Dat begint in het basisonderwijs of – sneller nog – in de kleuterklas. Dat is wat wetenschappers aantonen. Dat is ook wat leerkrachten vragen en wat de politiek moet willen horen. Onderwijs kan en moet het beste halen uit élk kind. Talent hangt niet af van de thuissituatie, afkomst of portemonnee van de ouders. Maar om een talent tot recht te laten komen, is het boven alles nodig om kinderen te vormen en uit te dagen. De lat hoog, de drempel laag. Dat is het motto voor goed onderwijs. Hoe sneller we daar opnieuw mee beginnen, hoe beter de resultaten.

Natuurlijk zijn ook zorg en welbevinden belangrijk. Maar onderwijs kan de taak van zorg niet overnemen. Ze moeten elkaar aanvullen, elk vanuit hun eigen sterkte en expertise. Er moet dus meer en beter worden samengewerkt tussen zorg en onderwijs, zodat leraren opnieuw kunnen doen wat zij graag en goed doen: lesgeven. Inclusie is de enige juiste richting voor een samenleving. Maar het is verkeerd om daarvoor alleen naar het regulier onderwijs – of erger – alleen naar leerkrachten te kijken. De doelstelling van het M-decreet is nobel, maar zonder omkadering, een stapsgewijze invoering en een efficiënte ondersteuning krijg je kortsluiting op het terrein. Ja, we hebben dus meer investeringen nodig. Maar het is evenzeer nodig om af te stappen van oogkleppen, dogma’s en ideologie.

Misschien heeft onderwijs minder politiek en meer beleid nodig. Minder ideologie en meer wetenschap. Minder bemoeienis en meer gezond verstand. Dat is geen schuldbekentenis, het is een oproep aan alle partijen. De woorden zijn er al, laat de daden volgen.

Deze opinie verscheen in De Morgen op 23 maart 2019.