Opinie verschenen in Knack samen met Jonas Veys, politiek secretaris van Jong Vld en historicus.

In Aalst rijdt een carnavalswagen rond met stereotype jodenafbeeldingen. België moet zich excuseren voor het koloniale verleden. En in een opiniestuk schrijft Hendrik Bogaert dat het Belgisch Franstalig regime in de 19e eeuw de Vlaamse cultuur via etnocide probeerde uit te schakelen. Dit zijn drie actuele voorbeelden, van totaal uiteenlopende aard, waarbij historische duiding meer dan welkom is. Zonder historische achtergronden kan de grootste onzin voor waar worden verkocht. Of erger: kunnen gruwelijkheden worden gebanaliseerd.

Vandaag hebben we meer dan ooit nood aan een degelijk geschiedenisonderwijs. Het schoolvak is alleen niet vrij van waardeoordelen. Saai, veel data van buiten leren, zinloos of hoogstens een divertissement tussen de andere, belangrijke vakken zoals wiskunde of Frans. Uit ons geschiedenisonderwijs lijken we vooral feitelijkheden en anekdotes te onthouden. Het leven in burchten bijvoorbeeld. De ellende van de fabrieksarbeider, gekoppeld aan fragmenten uit de film ‘Daens’. Van alle Galliërs zijn de Belgen het dapperst. De eerste maanlanding. Met enige kwade wil kan je stellen dat je voor die kennis geen geschiedenisonderwijs nodig hebt, maar Wikipedia.

We vergeten alleen dat geschiedenisonderwijs die feitelijkheid hoort te overstijgen. Herinneringseducatie is meer dan dat. Het gaat om het herkennen van processen die geleid hebben tot omwentelingen. Net zoals de stoommachines aanleiding gaven tot de industriële revolutie, zo leidde een gecultiveerd en geïnstitutionaliseerd antisemitisme, in combinatie met de oorlogsomstandigheden, tot de Holocaust. Het gaat ook om het besef dat wij – in dit land, in deze tijd – over haast ongelimiteerde vrijheden beschikken. Dat we kunnen zeggen en doen wat we willen zonder daarvoor de prijs te betalen.

In tal van regio’s is dat vandaag nog steeds niet het geval. Zelfs als dat inhoudt dat we de goorste dommigheden – in de vorm van een carnavalswagen – en de meest summiere vereenvoudigingen kunnen poneren, waarbij we hele bevolkingsgroepen louter omwille van religie, etnische afkomst of sociaal-economische achtergrond stigmatiseren. Om dat te counteren hebben we geschiedenis op school nodig.

Geschiedenisonderwijs staat dichter bij burgerschapseducatie dan wat ook. In de ideale wereld wordt de leerling hier aangezet tot vrij en kritisch denken, wars van alle dogma’s en veronderstellingen. Kritische vragen stellen ten aanzien van ons eigen verleden moet daar mogelijk zijn, maar ook wat betreft de meer recentere actoren zoals collaboratie en repressie. We hebben de neiging om reactief te handelen ten aanzien van de ongemakkelijke waarheden uit ons eigen verleden, en waarbij er nauwelijks oog is voor duiding en analyse. Dat het ook anders kan bewijst de aangekondigde naamswijziging van het Delwaidedok. Dit is het eindpunt van een historisch onderzoek door Herman Van Goethem, waarbij alle elementen tegen elkaar werden afgewogen. We willen echter vaak in omgekeerde richting te werk gaan.

Iedere gemeenschap en ieder tijdsvak heeft zijn donkere kanten. Het is een kwestie van deze als dusdanig te herkennen en te duiden, en dan vrij het debat erover te kunnen aangaan. Wie anders dan de geschiedenisleraar kan dit debat in de klas modereren? Alleen is er een probleem. Het vak geschiedenis bestaat niet in BSO-richtingen. Daar zijn uitgangspunten zoals ‘zelfstandig en in concrete situaties maatschappelijk relevante informatie kritisch beoordelen’ opgenomen in het project algemene vakken. Samen met nog heel wat andere uitgangspunten.

Alsof historisch besef, en eigenlijk ook burgerschapseducatie, van secundair belang zou zijn voor onze toekomstige kantoormedewerkers, slagers of bouwvakkers. Als het daarbij enkel zou gaan om het overbrengen van feitelijkheden klopt dit. Niet wanneer het gaat om het stimuleren van kritische denken ten aanzien van historische gebeurtenissen. Ter vergelijking: in alle richtingen, over alle studiedomeinen heen, zit er wel altijd twee uur levensbeschouwing of godsdienst in het pakket. Daarover wordt geen discussie gevoerd.

Wie zijn eigen geschiedenis bevooroordeeld bekijkt, en de clichés niet kan overstijgen, zal de feiten van alledag door dezelfde bril bekijken.

Volgend schooljaar komen er in de eerste graad van het secundair onderwijs nieuw leerplannen gebaseerd op nieuwe eindtermen. Een van de zestien sleutelcompetenties, waaraan deze zijn opgehangen, onderstrepen het belang van historisch bewustzijn. Dat vertaalt zich naar kennis van de grote tijdsperiodes, en hun werking op politiek, cultureel, economisch en sociaal vlak. Die kennis hoort de basis te vormen voor vrij en kritisch denken. Zo kan de connectie met burgerschapseducatie ten volle worden gemaakt. Wie zijn eigen geschiedenis bevooroordeeld bekijkt, en de clichés niet kan overstijgen, zal de feiten van alledag door dezelfde bril bekijken. In tijden waarbij de waarheid iets flou wordt en begrippen als fake news de kop opsteken, is een kennis van het verleden en een kritisch oordeelsvermogen cruciaal.

Laten we bij het opmaken van de nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad daarom het belang van degelijk geschiedenisonderwijs niet minimaliseren, en zeker niet in de beroeps- en technische richtingen. Daarvoor kunnen we rekenen op onze leerkrachten en onze lerarenopleidingen.

Opinie verschenen in Knack samen met Jonas Veys, politiek secretaris van Jong Vld en historicus.

Tags: , , , , , ,

Leave a Reply